Zoeken  Home  Contact
Stichting Trésor Utrecht

vorige
nummer volgende 
nummer

nummer 21, mei 2007


Inhoud
inhoudsopgave

Kennismaking met natuur en bewoners van het tropisch oerwoud

Jan Fransen

In februari 2007 ging vanuit de HOVO-cursus1 Utrecht een groep van twintig mensen op reis naar Suriname en Frans Guyana (Trésor). De reizigers waren dit keer niet alleen gericht op de natuur van het tropisch regenwoud, maar ook op de cultuur en historie van Suriname. De meeste waren ook geen bioloog of natuurfotograaf maar hadden - of hebben - een werkzaam leven in uiteenlopende sectoren als onderwijs, medische beroepen en het zakenleven. Gemeenschappelijk was de reislust en grote interesse voor natuur en cultuur. Zo verlangde ondergetekende van jongs af aan ernaar, de tropische regenwouden eens echt te leren kennen. Deze reis naar Paramaribo, marron²-dorpen in het binnenland en natuurreservaten, onder drievoudige deskundige leiding, was een gedroomde kans.


Langs de Marowijne
foto Foppe Peter Schut

Het reisgezelschap in de korjaal
foto Foppe Peter Schut

Plaatselijke transportmiddelen
foto Foppe Peter Schut

Goudwinningsplateau op de rivier
foto Foppe Peter Schut

Marron-dorp
foto Foppe Peter Schut

Kinderen zijn overal hetzelfde
foto Foppe Peter Schut

Plankwortels
foto Corrie et Jan Fransen

Vijko Lukkien doceert
foto Corrie et Jan Fransen

Clusia-vrucht
foto Corrie et Jan Fransen
De reis
De reis startte in Paramaribo, met zijn unieke centrum met witte houten gebouwen uit koloniale tijden en de rustieke sfeer aan de Waterkant. We bezochten het herbarium van de Anton de Kom Universiteit (ook de unieke houtcollectie) en een tuin met medicinale planten. Maar al snel ging het naar het regenwoudreservaat de Brownsberg bij het Brokopondomeer. Hier schrok iedereen de eerste ochtend om half zes wakker door het ongelooflijk harde gebrul van de zeer nabij gekomen brulapen. Brownsberg was een prachtige eerste kennismaking met het oerwoud. Dóór naar Galibi in het noordoosten, waar we de zeldzame groene zeeschildpadden hun eieren konden zien leggen en een goede indruk kregen van een indianendorp en hun jachtgebied (moeras en savannen). De tweede week werden we ondergedompeld in de regenwouden en moerassen van Frans Guyana: het natuurreservaat Trésor met het omlig-gende moerasgebied, de oeverwouden van de Cariacou en een mangrovebos. De derde week gingen we met korjalen de grensrivier de Marowijne op naar Gran Santi en vervolgens de Tapanahoni naar het nog zeer authentieke marron-dorp Moitakki, waar we onze hangmatten twee nachten in traditionele hutten ophingen. Het was een boeiende reis met een erg leuke groep mensen en een fantastische leiding.

Voorbereiding
Wie voor het eerst in het tropisch regenwoud komt, ziet een massa groen en slechts weinig bloemen, vogels en andere dieren. De eindeloos grote vormenrijkdom van de vegetatie spreekt niet, omdat het je niets zegt. Het is eigenlijk overweldigend en verwarrend. Als voorbereiding op de reis hebben we zestien uur college gehad, deels over de menselijke historie en cultuur van Wim Hoogbergen en Thomas Polume (geboren Aukaner in Moitakki), deels over evolutionaire ontwikkeling, bloembiologie, ecologie en de alles bepalende strijd om het licht door Vijko Lukkien. Dit was een enorme verrijking van de reis. Wat we zagen konden we een klein beetje in een kader plaatsen.

De eindeloze variatie aan planten en bomen
In dit artikel ga ik niet in op de verbazende variatie aan apen, vogels, kikkers en cicaden, die met name in het regenwoud vooral te horen en slechts nu en dan te zien zijn. De geluiden zijn ongekend gevarieerd en pas na enige dagen ga je, geholpen door een geduldige leermeester, wat vogels aan hun geluid herkennen en begin je te onderscheiden wat kikkers of cicaden en geen vogels zijn. Van de rijkdom aan planten is slechts een glimp op te vangen, omdat ze in het echte regenwoud vooral hoog in de bomen zitten. Ik zal er een paar noemen, maar concentreer me op bomen en lianen en het beeld van al die epifyten erop. Dat is toch wel je eerste ervaring: slechts hier en daar een heel grote, dikke boom, een woud van dunnere bomen en ?wachters? eronder en ongelooflijke hoeveelheden hangende ?touwen?, ?kabels? en bromelia?s, aracea, e.d. in de bomen.

De grote bomen hebben vaak grote plankwortels: de hoogste, de kankantrie (Kapokboom; Bombacaceae) heeft wel 3 ą 4 meter hoog beginnende, driehoekige stutten tussen stam en grond. De oudste ontwikkelden soms zelfs parallelle stutplanken. Zelfs op keiharde waterondoorlatende bodems blijven die 50 m hoge bomen zo staan. In oeverbos kwamen we weer een boomsoort tegen met zodanig omhoog gegolfde plankwortels dat ze ook bij hoog water zuurstof kunnen opnemen door duidelijk zichtbare lenticellen.

Bloemen
We werden door Vijko - en de lokale boswachter of gids - gewezen op allerlei karakteristieke planten, groeivormen, bloem- en vruchtvormen. Met een kleine toelichting verwijzend naar het college konden we dit nu plaatsen. Bij witte of groenige bloemen roken we bijvoorbeeld direct of de bloem dan een sterke nectargeur had en keken we of de voorraad nectar groot was. Vaak klopte dat. En rode bloemen zullen wel door vogels (kolibries) bestoven worden, maar rode schutbladen met witte of onooglijke bloemetjes werkt natuurlijk ook. De gemberfamilie (Zingiberaceae) met zijn kolf van rode schutbladen en dagelijks één nieuwe wittige bloem is een mooi voorbeeld. Een van de mooiste bloemen die we ook midden in het oerwoud tegen kwamen was de rode Passiebloem (Passiflora amoena), een liaan die er helemaal op is gebouwd om bestoven te worden door het voorhoofd van kolibries met de juiste lengte en kromming van de snavel. Een opvallende groep planten zijn de Heliconia?s met hun oranjegele snavelbekbloemen, verwant met de banaan. We kwamen vele soorten in het oerwoud en in de moerassen tegen: de tros meestal rechtopstaand, de snavel een waterbad vormend met de bloempjes of vruchten erin. De grote werden palulu genoemd en zagen we ook in de tuintjes. Opvallend was dat de snavelbek vooral oranjerood was en de vruchtjes/ bloem geel of groen. Alleen als de vruchtjes zelf al oranjerood waren was de bek wel geel.

De bloemen in de bomen zijn zelden te zien. Je moet het doen met nu en dan wat afgevallen bloemen van bomen en epifyten. We kregen er steeds meer oog voor. Alleen vanaf de rivier waren af en toe prachtig gekleurde bloeiende bomen en lianen te zien, soms met veel kolibries die zich tegoed deden aan de nectar. We zagen bijvoorbeeld bomen en lianen uit de families Bombacaceae, Lecythidaceae, Marcgraviaceae en Verbenaceae; en uiteraard allerlei soorten grote en kleine palmen. Speciaal noem ik van langs de rivieroever de Watercacao (Bombacaceae) met zijn grote rozewitte meeldradenwaaier en de belangrijke moca moca. De kleine soort moca moca omzoomt de rivieren, de grote de kust en estuaria tot zover als het nu en dan brak is; zij staan overal waar slib neerslaat. We zagen heel af en toe een witte, aronskelkachtige bloem of grote groene vrucht in deze aan onze slangewortel verwante plant (Araceae).

Vruchten
De paranotenfamilie (Lecythidaceae) was wat betreft vruchten een heel herkenbare: een harde pot met noten en een dekseltje erop. Het begon al met de oprijlaan naar het Herbarium in Paramaribo, waar de kanonskogelboom stond met zijn bijzonder gevormde, prachtig gekleurde grote bloemen en zijn een decimeter grote harde kogelvormige vruchten. Die hebben we echter niet in het woud gezien. De meest geziene, althans herkende bloem en vrucht is die van de clusia oftewel de wurger. Deze liaan klimt tegen een grote boom omhoog en stuurt, eenmaal boven luchtwortels naar beneden én als een grijper om de boom heen. Daarmee wordt de boom op den duur gewurgd, vandaar de naam. Op de grond vonden we regelmatig de nodige afgevallen bloembodems en de zigzag gespleten opening van de open gesprongen vruchten, die niet met een andere soort te verwarren waren. Veel bomen in de tropen hebben bloemen en vruchten op de stam of takken. Een mooi voorbeeld is de echte Cacao (Sterculiaceae).

Groeivormen
Alles draait om licht en voedingsstoffen in het tropisch regenwoud. Het fantastisch om te zien hoe daardoor een enorme vormenrijkdom is ontstaan. In de loop van de evolutie is een palet aan strategieën gevolgd. Zo hebben sommige bomen het gezocht in zeer snel groeien om de andere voor te zijn. Bijvoorbeeld de kapokboom (Bombacacea) met zijn lichte, weinig groeienergie vergende hout, die als heilig wordt beschouwd en die je vanaf de rivier overal als een parasol boven het woud uit ziet torenen. En de net als onze vlier hard groeiende Cecropia, die na kap of na omvallen van een woudreus omhoog schiet en als eerste zaad heeft dat door allerlei vogels, ook de toekans, wordt gegeten en verspreid. Andere hebben bespaard op energie door zelf heel weinig hout te vormen, maar een andere boom als steun te gebruiken. We zijn overdonderd door de verscheidenheid aan lianen. Het woud is een zee van gordijnen. En dan de rijkdom aan epifyten die hoog in de bomen licht zoeken. Bijzonder waren ook de doornige palmpjes van zo?n 500 jaar oud, met een stam van slechts twee meter hoogte. Dat is pas woekeren met weinig licht. Maar ook gewone bloemplantjes op de grond, die vanwege het gebrek aan licht maar helemaal hebben afgezien van eigen bladgroen en leven op andere planten of dood materiaal. Voor het gebrek aan mineralen - de door warmte en veel regen uitgemergelde bodem van het tropisch regenwoud is heel arm aan voedingsstoffen ? zie je weer allerlei andere aanpassingen, variërend van opvang van dode bladeren in nesten voor de mineralenvoorziening, tot de invang van insecten als mineralenbron.

Medicinale planten
Het tropisch oerwoud is niet alleen een museum van het leven op aarde dat ons verwondert en een inkijk geeft in het leven voordat de mens er was. Het is ook een nog grotendeels onontdekte schatkamer voor medische stoffen en technische vondsten. Het gaat nu te ver om hier echt op in te gaan. Maar ik wil wel vermelden dat een gids even langs zijn neus weg een boom aan wees, waarvan de indianen uit de bast een thee zetten tegen de honger (medicijn tegen dik worden?), een boom waar in de schors een soort betadine zit en een andere waarvan de thee in een dag malaria kan genezen. Alleen daarom al moeten we heel zuinig zijn op deze schatkamer.

Natuurbescherming en bedreigingen
Het Guyanaschild is 1,5 miljard jaar oud en heeft in tegenstelling tot andere delen van het Amazonegebied de laatste miljoenen jaren steeds een vochtig warm klimaat gekend. Tezamen met de ook tegenwoordig grote regenval zijn dit factoren die de grote natuurlijke rijkdom van dit gebied kunnen verklaren. In Trésor zijn bijvoorbeeld op een enkele hectare 160 soorten bomen vastgesteld, net zoveel als het totale aantal soorten in heel Europa. Het is dan ook van groot belang om de Guyana?s te beschermen tegen houtkap, goudzoeken, meer jagen dan voor het eigen kleine dorp en het vangen, verzamelen en verkopen van vogels, planten e.d. Maar ook is bescherming nodig tegen invloeden van buiten, zoals zure regen en oprukkende onkruiden. Gelukkig is er een hoopvol begin. De aankoop van Trésor was voor de Franse overheid de aanleiding om een 20 maal zo groot gebied eromheen van kust tot rivier beschermd te verklaren. Een ecologische verbindingszone met het binnenland ontbreekt echter nog. En Suriname heeft onder meer een centraal reservaat ingesteld dat half zo groot is als Nederland.
Deze gebieden zijn daarmee echter nog niet goed beschermd. Illegale goudzoekers, maar ook goudzoekers uit de marron-dorpen (bij gebrek aan ander werk), zijn overal waar goud vermoed wordt, ook in de reservaten. Gaten in het oerwoud en zelfs zwaar met kwik vergiftigde rivieren en kreken zijn het gevolg. We hebben ze met eigen ogen gezien. Zelfs in en nabij Trésor dreigt nog steeds een concessie voor een grote goudindustrie. En in Suriname mag ? natuurlijk weer een Canadees - bedrijf tegen een habbekrats systematisch goud delven, waarbij ook kwik als oplosmiddel wordt gebruikt. Daar dreigen ook de toppen en andere delen van het Bakhuisgebergte alsnog ten prooi te vallen aan de bauxietwinning, met alle gevolgen van dien voor de nu nog kristalheldere rivieren in het reservaat. Een sterke overheid en toerisme als inkomstenbron in het binnenland zouden het tij kunnen keren.
Natuurinstanties en natuurbeschermingsorganisaties als Trésor en het Surinaamse Stinasu proberen dit soort ontwikkelingen samen met internationale organisaties af te wenden.

Utrecht, 30 maart 2007



inhoudsopgave

Donateursdag 2006 op een bijzondere locatie

Eric Augusteijn

Op 19 november van het vorige jaar vond de traditionele donateursdag van Trésor plaats. De dag was georganiseerd in samenwerking met het Wereld Natuurfonds en als locatie was gekozen voor het nieuwe kantoorgebouw van deze organisatie in Zeist. Voor de tientallen donateurs die aan de uitnodiging gehoor hadden gegeven kwam het voorkomen van dit kantoorpand als een grote verrassing.

De heer Allard Stapel van het WNF leidde ons trots rond door het gebouw. Dit nieuwe onderkomen van het Wereld Natuur Fonds is het eerste CO2-emissievrije gebouw in Europa. Daarnaast is het gebouw op dit moment ook het energiezuinigste gerenoveerde kantoorgebouw in Nederland. Klimaatverandering is een van de ernstigste bedreigingen van de natuur wereldwijd. Met het gebouw wil het WNF laten zien dat aantrekkelijke huisvesting goed samengaat met hoge eisen aan natuurvriendelijkheid en duurzaamheid.

In het gebouw zijn geen radiatoren of airconditioning. Dit is mogelijk door innovatieve toepassingen, zoals: een ingenieus systeem van waterbuisjes in de plafonds, dat zorgt voor een natuurlijke manier van verwarming en koeling, warmte- en koudeopslag in de aardbodem, natuurlijke ventilatie, driedubbel glas en zonnepanelen op het dak voor elektriciteit en warm water. In het gebouw is alleen verantwoord gekapt hout verwerkt met het FSC-keurmerk.
Dit gebouw kan als lichtend voorbeeld dienen architecten, die denken dat rekening houden met van het milieu hen beperkt in hun creativiteit!

Na de rondleiding kwamen diverse sprekers aan het woord. Mevrouw Renske Ek vertelde over de onderzoeksexpeditie die in september 2006 plaatsvond. Over dit onderzoek schreef zij een artikel in het vorige nummer van Trésor Nieuws.

Na de lunch was een lezing door de heer Olivier Tostain, de conservator van het Trésorreservaat aangekondigd. Helaas was deze verhinderd te komen, maar zijn taak werd keurig overgenomen door boswachter Kévin Pineau, die vertelde over het beheerswerk in ons reservaat.

Mevrouw Pita Verweij, wetenschappelijk adviseur van de Stichting, sprak voor een aandachtig gehoor (onder wie haar dochter) over de natuurwaarden van het Trésorreservaat. Zij ging onder andere in op de regulerende functies op het gebied van hydrologie (waterhuishouding), erosie en sedimentatie en CO2-opslag. Zo is er berekend dat een bos als Trésor jaarlijks zoveel CO2 uit de lucht opneemt dat daardoor enige honderden tot enige duizenden tonnen koolstof worden vastgelegd.
Door middel van een uitstapje naar een studie in Costa Rica liet zij zien hoe belangrijk verschillende typen corridors tussen natuurgebieden zijn, waardoor diersoorten zich kunnen verplaatsen van het ene gebied naar het andere.

Zo vormt ook Trésor, als enig beschermd natuurgebied op de zuidhelling van het Kawgebergte, een steeds belangrijker wordende schakel in de verbinding tussen het noordelijk gelegen Kawmoeras en het binnenland van Frans Guyana.

fotos Eric Augusteijn

Liesbeth Fontein vertelde over haar werk aan het beheerplan voor het reservaat als masterstudent Biologie. Ook liet zij de film zien die zij, samen met de Association Trésor en een locale filmmaker, tijdens haar verblijf in Frans Guyana heeft gemaakt. De film is nį de donateursdag op de website gezet, zodat ook iedereen die er op 19 november niet bij was, hem kan zien.

Tot slot van de dag bedankte secretaris Vijko Lukkien de dagvoorzitter Aard de Lang en alle anderen die de dag tot een succes hadden gemaakt. Een dankbaar publiek viel hem bij.

inhoudsopgave


Een denkbeeldig gesprek met een denkbeeldige bezoeker van Trésor

Apen in de schatkamer

Jan van Hooff

"Wat een prachtig bos! En ik heb tijdens onze wandeling ook de nodige apen gezien"

"Jazeker, en er zitten vijf soorten, dus bijna allemaal"

"Hè, wat allemaal..., vind je vijf veel? Ik heb er de dierenencyclopedie even op nageslagen voor ik naar Guyana vertrok, en ik heb gezien dat er vele tientallen soorten apen leven in Zuid- en Midden-Amerika. Dus dan vind ik vijf maar weinig. Als het een goed bos is, dan verwacht je toch een grote soortenrijkdom, ja toch?"

"Oh zeker, maar dan is vijf best wel veel. Want al die Zuid- en Midden-Amerikaanse apen komen voor in een paar grote soortengroepen. En uit vijf van die soortengroepen vinden we 'n soort in Guyana. Zal ik ze even opnoemen?"

"Ja, ga je gang"


Goudhandtamarijn
foto Assoc. Kwata
Klauwapen
"Nou dat zijn dan allereerst de klauwaapjes. Daartoe behoren de marmoset- en tamarijnaapjes. Dat zijn heel kleine aapjes. Ze hebben niet, zoals alle andere apen, de mensapen en de mens, platte nagels, maar klauwnagels. Daarmee kunnen ze in bomen klimmen zoals eekhoorntjes dat doen."

"Ja, die heb ik gezien; ze zijn zelfs veel kleiner dan eekhoorntjes"

"Juist. Wat jij gezien hebt is het Goudhandtamarijntje, Saguinus midas, die hier in Trésor voorkomt. In totaal zijn er wel zo'n 28 soorten klauwaapjes"

"Maar dan vind ik één soort in Trésor maar heel magertjes!"

"Nou, dan vergis je je. Er is een heel goede reden waarom er als regel maar één soort gevonden wordt. Al die soorten marmosets en tamarijntjes hebben ook een soortgelijke levenswijze. Hun voornaamste voedsel bestaat uit insecten, vruchten en plantensappen, zeg maar harsen. Die likken ze op uit wonden van boomstammen en takken. De marmosets hebben zelfs aangepaste ondertanden om de bast mee aan te bijten, zodat de hars vrijkomt. Nu is er niet oneindig veel plaats voor dieren met een bepaalde levenswijze, in hun ecologische nis, zoals dat zo mooi heet in het biologisch jargon. Er is concurrentie om de beschikbare plekken in de nis die de soort bezet. Als twee verwante soorten dezelfde nis zouden bezetten, dan kunnen er twee dingen gebeuren. Allereerst zou het stom toeval zijn als beide soorten even goed zouden zijn aangepast aan dezelfde nis. In dat geval zal de soort die daar effectiever en efficiënter gebruik van maakt de andere soort op termijn wegconcurreren, zodat er maar één overblijft. Maar het kan ook zijn dat de ene soort iets beter is aangepast aan één bepaald aspect van hun gezamenlijke nis en de andere aan een ander. In dat geval drijft de natuurlijke selectie ze een verschillende richting uit; ze specialiseren zich dan op dat aspect van de levenswijze waarin ze het beste zijn. Ze gaan dus sterker verschillen. In het algemeen zie je dus: één soort in elke ecologische nis."

"Maar waarom dan toch achtentwintig soorten klauwaapjes?"

"Nou, dan moet je je even voorstellen hoe Zuid-Amerika eruitziet. Het is heel erg waterrijk en het wordt doorsneden door een groot aantal rivieren die splitsen en weer samenvloeien en daardoor een groot aantal afgescheiden gebieden maken, een soort oerwoudeilandgebieden. De groepen die daar leven kunnen zich haast niet meer vermengen met groepen aan de andere kant van de rivier. Dat geldt met name voor zulke kleine diertjes als de klauwaapjes. Op den duur groeien ze uit elkaar; ze gaan geleidelijk steeds meer van elkaar verschillen in zulke kenmerken als haarpatronen en haarkleuren. Maar ze blijven wel meestal een soortgelijke nis bezetten."

"OK. Ik snap dat er in Guyana maar één soort klauwaapje voorkomt. En die andere vier soorten bezetten dan zeker allemaal een verschillende nis?"

"Juist je hebt het begrepen"

"En wat zijn dat dan wel voor soorten en nissen?"


Zwarte spinaap
foto Foto Natura
Slingerapen
"Wel laat ik als volgende soort de Zwarte spinaap noemen, of zoals ze in het Nederlandstalige buurland zeggen, de Slingeraap (Ateles paniscus). Die heb je trouwens vanmiddag ook gezien"

"Was dat die grote slanke zwarte aap, met die lange armen en benen en die lange grijpstaart? Dat was grappig hoe hij daarmee zonder achterom te kijken toch feilloos een tak wist te pakken. En hij bleef, met zijn armen en benen los, aan die tak hangen. Wat was dat trouwens voor een kale plek die hij aan de binnenkant van de staarttip had zitten?"

"Ja, dat is wel aardig. Omdat hij zijn staart gebruikt om er dingen mee te grijpen, zit er aan de binnenkant van de staartkrul geen haar meer. Sterker nog, er zitten ribbels, die lijken op vingerafdrukken, waardoor de glijweerstand toegenomen is; z'n staart slipt dus niet gemakkelijk van de takken af"

"En wat is zijn bijzondere levenswijze?"

"Slingerapen zijn bij uitstek vruchteneters, die hoog door het kronendak van vruchtboom naar vruchtboom trekken. Dus echt wel bijzonder, dat je er gezien hebt. Ze leven in groepen, maar die splitsen zich vaak op in kleinere subgroepen, zodat ze niet allemaal tegelijk op een en dezelfde vruchtboom afgaan. Zo vermijden ze te grote onderlinge concurrentie. Ze trekken over grote afstanden naar bomen die op dat moment rijpe vruchten dragen en blijken ook een goed topografisch geheugen te hebben."

"Wat bedoel je met topografisch geheugen?"

"Wel, ze bezitten een soort mentale kaart van hun uitgestrekte leefgebied, waarbij ze weten waar de vruchtbomen staan en wanneer die de moeite waard zijn om te bezoeken. Ze onthouden welke ze onlangs bezocht hebben, zodat ze niet tevergeefs opnieuw naar een boom gaan die ze pas geleden hebben leeggeplunderd. En dat vergt het een en ander van je geheugen en voorstellingsvermogen."

"Waren dat trouwens ook die herrieschoppers, die we vanmorgen vroeg gehoord hebben? Tjonge wat een kabaal maakten die schreeuwlelijken."


Rode brulaap
foto Nature Animation Guyane
Brulapen

"Nee, dat was weer een andere soort, de derde in ons pakket. Dat waren brulapen. Daarvan bestaan acht soorten. De onze is de Rode brulaap (Alouatta seniculus). De leden van een brulapengroep zetten regelmatig een heel grote keel op, waarmee ze hun aanwezigheid aan naburige groepen kenbaar maken. Zo bevestigen ze wat hun leefgebied is. Naburige groepen weten dat dan en laten het uit hun hoofd om het buurterritorium binnen te trekken. De brulapen brullen in koor. Uit de 'eenstemmigheid' waarmee ze zingen kunnen de buren ook afleiden hoe eensgezind de groep is. Want als die eensgezindheid niet groot is, zou je het best kunnen wagen om een confrontatie aan te gaan."

"Ik begrijp dus dat ze een territorium hebben, dat ze verdedigen. Hebben spinapen dat dan niet?"

"Goeie vraag! Nee, het leefgebied van spinapen is zo groot, dat ze het onmogelijk kunnen verdedigen; in de groene soep van het oerwoud zouden ze ook onmogelijk kunnen vaststellen of er aan de andere kant niet een buurgroep binnentrekt."

"Waarom dan wel bij brulapen?"

"Dat hangt samen met hun levenswijze. Brulapen zijn voornamelijk bladeters; ze eten vooral het jonge blad van bomen. En dat vinden ze overal om zich heen. Ze kunnen dus toe met veel kleinere territoria, die dus ook overzichtelijk zijn, of - laten we er een nieuw woord voor verzinnen - 'overhoorlijk'. Bladeters hebben het overigens niet gemakkelijk. Blad is moeilijk verteerbaar; de energie is moeilijk toegankelijk. Ze hebben daarvoor speciale aanpassingen in hun spijsverteringsapparaat. En omdat ze uit hun bladmaal minder energie halen zijn ze er ook zuiniger mee; ze zijn dan ook nogal traag. En ze lijken beslist minder intelligent dan de spinapen"

"Minder intelligent..., hoezo?"

"Wel blad eten dat rondom je groeit in een betrekkelijk klein territorium stelt geen hoge intellectuele eisen..."

"Ach zo...! En wie hebben we verder nog?"


Doodshoofdaap
foto Eric Augusteijn
Doodshoofdapen
"Ja, weer iets heel anders zijn de doodshoofdaapjes, of monki-monki zoals de Surinamers zeggen. Die zijn groter dan de tamarijntjes, maar toch veel kleiner dan de spinapen en brulapen. Ook daarvan komen zo'n vijftal soorten voor. De onze is het Gewone doodshoofdaapje Saimiri sciureus."

"Wat zeg je..., doodshoofd...?"

"Ja, hun ronde koppie lijkt er in de verte wat op. Maar het is best een snoezig koppie met een zwart snuitje en grote witte kringen rond de zwarte ogen. Ze zien er heel aaibaar uit maar hebben niettemin scherpe tandjes. Ze springen en tuimelen door het oerwoud in grote levendige groepen en ze voeden zich vooral met dierlijke producten, zoals jonge vogeltjes, insecten (sprinkhanen, rupsen), krabbetjes en slakken; daarnaast lusten ze ook wel fruit en zaden. En dan komen we tenslotte bij onze twee monniken."

"Hè, wat zeg je me nou?"

"Ja, ik bedoel kapucijners."


Bruine kapucijneraap
foto Kévin Pineau
Kapucijnerapen
"Nee, ik bedoel kapucijnermonniken. Die droegen behalve een bruine pij ook een bruin kalotje op hun hoofd. Vanwege de gelijkenis van dat kalotje hebben ze hun naam gegeven aan de kapucijnerapen, waarvan er in Trésor twee soorten voorkomen, de Bruine kapucijneraap (Cebus apella, de kesi-kesi van de Surinaamse buren) en de Wigmutskapucijner (Cebus olivaceus). ."

"Hé...! Dus toch twee verwante apensoorten in hetzelfde gebied. Daar gaat die mooie theorie van je, dat je van soortgroepen maar één soort in een ecologische nis aantreft."

"Ho ho, niet zo haastig. Ik zei ook, dat als je er twee aantreft, dat je dan mag verwachten dat ze elkaar in een verschillende ecologische richting duwen. Maar goed, je hebt je punt, want ik kan niet hard maken dat dit hier ook het geval is. We weten eenvoudigweg nog te weinig van hun levenswijze - en dan bedoel ik het verschil daarin - om te snappen hoe ze naast elkaar kunnen bestaan zonder dat de een de ander verdringt. Als je er een jaartje of wat voor over hebt om hun ecologie eens grondig uit te zoeken, dan ben je van harte welkom."

"Oh, ik zou hier graag een paar jaartjes willen zitten. 't Is mooi genoeg hier, maar kun je ook de centen leveren voor m'n kostje?"

"Zullen we dat dan maar vergeten. Over die kapucijnerapen...; het meeste weten we van de Bruine kapucijner. Het zijn echte alleseters; ze lusten fruit, zaden, maar ook dierlijke prooi, zoals insecten, slakken, enz. Ze leven in grote groepen, waarbij zich heel vaak doodshoofdaapjes aansluiten. Die zijn veel kleiner en een gewilde prooi voor bepaalde roofvogels. Ze voelen zich blijkbaar veiliger in de buurt van kapucijners. Het zijn boeiende dieren, die kapucijnerapen, echte opportunisten en generalisten. Ze worden tot de meest intelligente apensoorten gerekend. Opvallend is dat ze in het wild werktuigen gebruiken, zoals stokjes e.d."

"Is dat dan zo bijzonder?"

"Ja, wel degelijk. We kennen geen andere Zuid-Amerikaanse apensoorten die dit doen. Ook onder de apen van de oude wereld is dat zeldzaam; daar kennen we het eigenlijk alleen van de mensapen. Die doen het overigens op grote schaal en dat maakt ze wetenschappelijk zeer interessant. Kapucijners gebruiken onder andere stenen als hamer om daarmee noten kapot te slaan. Geen wonder dus, dat ook kapucijnerapen in verschillende onderzoeksinstituten worden gehouden om daar hun kenvermogens in kaart te brengen. Dierlijke kenvermogens en intelligentie zijn momenteel een 'hot topic' in de gedragsbiologie. Onze beroemde landgenoot Frans de Waal, die in de VS gedragsonderzoek aan primaten doet werkt o.a. met kapucijnerapen."

"Nu je het zegt. Bereikte hij een tijdje geleden niet het wereldnieuws met zijn proeven waaruit zou blijken dat kapucijnerapen een 'sense of fairness' hebben?"

"Ja zeker. Hij liet twee aapjes, die in kooitjes naast elkaar gezeten waren en elkaar dus ook konden zien, werken voor een fiche. Die fiche konden ze dan omruilen voor een stukje komkommer. Dat deden ze maar wat graag. Toen ze daar beide aan gewend waren, gaf hij één van de twee een druif in plaats van de komkommer. De andere aap, die dit gezien had, kreeg echter een stukje komkommer aangeboden. Die weigerde op slag zijn fiche in te ruilen of hij smeet de gekregen komkommer wild weg (de buurman, die net z'n druif op had, pakte dat stukje er nog bij; immers niks mis met komkommer)."

"Dus de aap voelde zich tekort gedaan, en was door z'n weigering nog slechter af dan wanneer hij de komkommer gewoon had geaccepteerd."

"Ja, je moet blijkbaar wat voor je principes over hebben, bij wijze van spreken dan."

"Maar daar zul je in het oerwoud wel weinig van zien, denk ik."

"Natuurlijk, maar het is wel een boeiende vraag waarvoor die vermogens, die we in het laboratorium kunnen aantonen, in het wild gebruikt worden. Nog een reden om hun gedrag in de natuur eens gedetailleerd uit te zoeken."

"Werktuiggebruik, zei je toch?"

"Oui, mais il y a probablement beaucoup plus."

"In ieder geval heb ik veel van je geleerd. Ik snap nu dat die vijf apensoorten ieder een heel eigen plaats in het ecosysteem van Guyana innemen. Dank je wel. Ik bekijk nu de 'rijkdom' van Trésor weer met heel andere ogen."

inhoudsopgave

Colofon

Trésor nieuws
verschijnt 3x per jaar. De papieren versie wordt gratis toegezonden aan de donateurs van de Stichting Trésor

Redactie
Vijko P.A. Lukkien en Eric Augusteijn

Redactie-adres
Vijko P.A. Lukkien

Postbus
Telefoon
Fax
E-mail
Bankrekening   
80084, 3508 TB Utrecht
030 253 74 36
030 251 83 66
Bio.Tresor@uu.nl
78.47.36.618 t.n.v. Stichting Trésor, Utrecht
IBAN: NL44 TRIO 0784736618
BIC: TRIONL2U
Betaalt u met Internet bankieren? Gelieve dan uw naam en adres te vermelden.
Op dit adres kunt u ook adoptie-vierkante meters en cadeaucertificaten aanvragen.
Gaat u verhuizen?
Geef uw adreswijziging door aan ditzelfde adres.

Website
http://www.tresorrainforest.org
Webmaster: Eric Augusteijn, eric.aug@bigfoot.com

K.v.K.
41187239




Contact | Sitemap | Auteurs | Webmaster | ©2006 Stichting Trésor