Zoeken  Home  Contact
Stichting Trésor Utrecht

Donateursreis 2007

Kennismaking met natuur en bewoners van het tropisch oerwoud

Jan Fransen

In februari 2007 ging vanuit de HOVO (Hoger Onderwijs voor Ouderen)-cursus Utrecht een groep van twintig mensen op reis naar Suriname en Frans Guyana (Trésor). De reizigers waren dit keer niet alleen gericht op de natuur van het tropisch regenwoud, maar ook op de cultuur en historie van Suriname. De meeste waren ook geen bioloog of natuurfotograaf maar hadden - of hebben - een werkzaam leven in uiteenlopende sectoren als onderwijs, medische beroepen en het zakenleven. Gemeenschappelijk was de reislust en grote interesse voor natuur en cultuur. Zo verlangde ondergetekende van jongs af aan ernaar, de tropische regenwouden eens echt te leren kennen. Deze reis naar Paramaribo, marron (bosneger)-dorpen in het binnenland en natuurreservaten, onder drievoudige deskundige leiding, was een gedroomde kans.


Langs de Marowijne
Foto Foppe Peter Schut


Het reisgezelschap in de korjaal
Foto Foppe Peter Schut


Plaatselijke transportmiddelen
Foto Foppe Peter Schut


Goudwinningsplateau op de rivier
Foto Foppe Peter Schut


Marron-dorp
Foto Foppe Peter Schut


Kinderen zijn overal hetzelfde
Foto Foppe Peter Schut


Plankwortels
Foto Corrie en Jan Fransen


Vijko Lukkien doceert
Foto Corrie en Jan Fransen


Clusia-vrucht
Foto Corrie en Jan Fransen

De reis

De reis startte in Paramaribo, met zijn unieke centrum met witte houten gebouwen uit koloniale tijden en de rustieke sfeer aan de Waterkant. We bezochten het herbarium van de Anton de Kom Universiteit (ook de unieke houtcollectie) en een tuin met medicinale planten. Maar al snel ging het naar het regenwoudreservaat de Brownsberg bij het Brokopondomeer. Hier schrok iedereen de eerste ochtend om half zes wakker door het ongelooflijk harde gebrul van de zeer nabij gekomen brulapen. Brownsberg was een prachtige eerste kennismaking met het oerwoud. Dóór naar Galibi in het noordoosten, waar we de zeldzame groene zeeschildpadden hun eieren konden zien leggen en een goede indruk kregen van een indianendorp en hun jachtgebied (moeras en savannen). De tweede week werden we ondergedompeld in de regenwouden en moerassen van Frans Guyana: het natuurreservaat Trésor met het omliggende moerasgebied, de oeverwouden van de Cariacou en een mangrovebos. De derde week gingen we met korjalen de grensrivier de Marowijne op naar Gran Santi en vervolgens de Tapanahoni naar het nog zeer authentieke marron-dorp Moitakki, waar we onze hangmatten twee nachten in traditionele hutten ophingen. Het was een boeiende reis met een erg leuke groep mensen en een fantastische leiding.

Voorbereiding
Wie voor het eerst in het tropisch regenwoud komt, ziet een massa groen en slechts weinig bloemen, vogels en andere dieren. De eindeloos grote vormenrijkdom van de vegetatie spreekt niet, omdat het je niets zegt. Het is eigenlijk overweldigend en verwarrend. Als voorbereiding op de reis hebben we zestien uur college gehad, deels over de menselijke historie en cultuur van Wim Hoogbergen en Thomas Polume (geboren Aukaner in Moitakki), deels over evolutionaire ontwikkeling, bloembiologie, ecologie en de alles bepalende strijd om het licht door Vijko Lukkien. Dit was een enorme verrijking van de reis. Wat we zagen konden we een klein beetje in een kader plaatsen.

De eindeloze variatie aan planten en bomen
In dit artikel ga ik niet in op de verbazende variatie aan apen, vogels, kikkers en cicaden, die met name in het regenwoud vooral te horen en slechts nu en dan te zien zijn. De geluiden zijn ongekend gevarieerd en pas na enige dagen ga je, geholpen door een geduldige leermeester, wat vogels aan hun geluid herkennen en begin je te onderscheiden wat kikkers of cicaden en geen vogels zijn. Van de rijkdom aan planten is slechts een glimp op te vangen, omdat ze in het echte regenwoud vooral hoog in de bomen zitten. Ik zal er een paar noemen, maar concentreer me op bomen en lianen en het beeld van al die epifyten erop. Dat is toch wel je eerste ervaring: slechts hier en daar een heel grote, dikke boom, een woud van dunnere bomen en 'wachters' eronder en ongelooflijke hoeveelheden hangende 'touwen', 'kabels' en bromelia's, aracea, e.d. in de bomen. De grote bomen hebben vaak grote plankwortels: de hoogste, de kankantrie (Kapokboom; Bombacaceae) heeft wel 3 à 4 meter hoog beginnende, driehoekige stutten tussen stam en grond. De oudste ontwikkelden soms zelfs parallelle stutplanken. Zelfs op keiharde waterondoorlatende bodems blijven die 50 m hoge bomen zo staan. In oeverbos kwamen we weer een boomsoort tegen met zodanig omhoog gegolfde plankwortels dat ze ook bij hoog water zuurstof kunnen opnemen door duidelijk zichtbare lenticellen.

Bloemen
We werden door Vijko - en de lokale boswachter of gids - gewezen op allerlei karakteristieke planten, groeivormen, bloem- en vruchtvormen. Met een kleine toelichting verwijzend naar het college konden we dit nu plaatsen. Bij witte of groenige bloemen roken we bijvoorbeeld direct of de bloem dan een sterke nectargeur had en keken we of de voorraad nectar groot was. Vaak klopte dat. En rode bloemen zullen wel door vogels (kolibries) bestoven worden, maar rode schutbladen met witte of onooglijke bloemetjes werkt natuurlijk ook. De gemberfamilie (Zingiberaceae) met zijn kolf van rode schutbladen en dagelijks één nieuwe wittige bloem is een mooi voorbeeld. Een van de mooiste bloemen die we ook midden in het oerwoud tegen kwamen was de rode Passiebloem (Passiflora amoena), een liaan die er helemaal op is gebouwd om bestoven te worden door het voorhoofd van kolibries met de juiste lengte en kromming van de snavel. Een opvallende groep planten zijn de Heliconia's met hun oranjegele snavelbekbloemen, verwant met de banaan. We kwamen vele soorten in het oerwoud en in de moerassen tegen: de tros meestal rechtopstaand, de snavel een waterbad vormend met de bloempjes of vruchten erin. De grote werden palulu genoemd en zagen we ook in de tuintjes. Opvallend was dat de snavelbek vooral oranjerood was en de vruchtjes/bloem geel of groen. Alleen als de vruchtjes zelf al oranjerood waren was de bek wel geel.
De bloemen in de bomen zijn zelden te zien. Je moet het doen met nu en dan wat afgevallen bloemen van bomen en epifyten. We kregen er steeds meer oog voor.
Alleen vanaf de rivier waren af en toe prachtig gekleurde bloeiende bomen en lianen te zien, soms met veel kolibries die zich tegoed deden aan de nectar. We zagen bijvoorbeeld bomen en lianen uit de families Bombacaceae, Lecythidaceae, Marcgraviaceae en Verbenaceae; en uiteraard allerlei soorten grote en kleine palmen. Speciaal noem ik van langs de rivieroever de Watercacao (Bombacaceae) met zijn grote rozewitte meeldradenwaaier en de belangrijke Moca moca. De kleine soort moca moca omzoomt de rivieren, de grote de kust en estuaria tot zover als het nu en dan brak is; zij staan overal waar slib neerslaat. We zagen heel af en toe een witte, aronskelkachtige bloem of grote groene vrucht in deze aan onze slangewortel verwante plant (Araceae).

Vruchten

De paranotenfamilie (Lecythidaceae) was wat betreft vruchten een heel herkenbare: een harde pot met noten en een dekseltje erop. Het begon al met de oprijlaan naar het Herbarium in Paramaribo, waar de kanonskogelboom stond met zijn bijzonder gevormde, prachtig gekleurde grote bloemen en zijn een decimeter grote harde kogelvormige vruchten. Die hebben we echter niet in het woud gezien. De meest geziene, althans herkende bloem en vrucht is die van de clusia oftewel de wurger. Deze liaan klimt tegen een grote boom omhoog en stuurt, eenmaal boven luchtwortels naar beneden én als een grijper om de boom heen. Daarmee wordt de boom op den duur gewurgd, vandaar de naam. Op de grond vonden we regelmatig de nodige afgevallen bloembodems en de zigzag gespleten opening van de open gesprongen vruchten, die niet met een andere soort te verwarren waren. Veel bomen in de tropen hebben bloemen en vruchten op de stam of takken. Een mooi voorbeeld is de echte Cacao (Sterculiaceae).

Groeivormen
Alles draait om licht en voedingsstoffen in het tropisch regenwoud. Het is fantastisch om te zien hoe daardoor een enorme vormenrijkdom is ontstaan. In de loop van de evolutie is een palet aan strategieên gevolgd. Zo hebben sommige bomen het gezocht in zeer snel groeien om de andere voor te zijn. Bijvoorbeeld de kapokboom (Bombacacea) met zijn lichte, weinig groeienergie vergende hout, die als heilig wordt beschouwd en die je vanaf de rivier overal als een parasol boven het woud uit ziet torenen. En de net als onze vlier hard groeiende Cecropia, die na kap of na omvallen van een woudreus omhoog schiet en als eerste zaad heeft dat door allerlei vogels, ook de toekans, wordt gegeten en verspreid. Andere hebben bespaard op energie door zelf heel weinig hout te vormen, maar een andere boom als steun te gebruiken. We zijn overdonderd door de verscheidenheid aan lianen. Het woud is een zee van gordijnen. En dan de rijkdom aan epifyten die hoog in de bomen licht zoeken. Bijzonder waren ook de doornige palmpjes van zo'n 500 jaar oud, met een stam van slechts twee meter hoogte. Dat is pas woekeren met weinig licht. Maar ook gewone bloemplantjes op de grond, die vanwege het gebrek aan licht maar helemaal hebben afgezien van eigen bladgroen en leven op andere planten of dood materiaal. Voor het gebrek aan mineralen - de door warmte en veel regen uitgemergelde bodem van het tropisch regenwoud is heel arm aan voedingsstoffen - zie je weer allerlei andere aanpassingen, variêrend van opvang van dode bladeren in nesten voor de mineralenvoorziening, tot de invang van insecten als mineralenbron.

Medicinale planten
Het tropisch oerwoud is niet alleen een museum van het leven op aarde dat ons verwondert en een inkijk geeft in het leven voordat de mens er was. Het is ook een nog grotendeels onontdekte schatkamer voor medische stoffen en technische vondsten. Het gaat nu te ver om hier echt op in te gaan. Maar ik wil wel vermelden dat een gids even langs zijn neus weg een boom aan wees, waarvan de indianen uit de bast een thee zetten tegen de honger (medicijn tegen dik worden?), een boom waar in de schors een soort betadine zit en een andere waarvan de thee in een dag malaria kan genezen. Alleen daarom al moeten we heel zuinig zijn op deze schatkamer.

Natuurbescherming en bedreigingen
Het Guyanaschild is 1,5 miljard jaar oud en heeft in tegenstelling tot andere delen van het Amazonegebied de laatste miljoenen jaren steeds een vochtig warm klimaat gekend. Tezamen met de ook tegenwoordig grote regenval zijn dit factoren die de grote natuurlijke rijkdom van dit gebied kunnen verklaren. In Trésor zijn bijvoorbeeld op een enkele hectare 160 soorten bomen vastgesteld, net zoveel als het totale aantal soorten in heel Europa. Het is dan ook van groot belang om de Guyana's te beschermen tegen houtkap, goudzoeken, meer jagen dan voor het eigen kleine dorp en het vangen, verzamelen en verkopen van vogels, planten e.d. Maar ook is bescherming nodig tegen invloeden van buiten, zoals zure regen en oprukkende onkruiden. Gelukkig is er een hoopvol begin. De aankoop van Trésor was voor de Franse overheid de aanleiding om een 20 maal zo groot gebied eromheen van kust tot rivier beschermd te verklaren. Een ecologische verbindingszone met het binnenland ontbreekt echter nog. En Suriname heeft onder meer een centraal reservaat ingesteld dat half zo groot is als Nederland.
Deze gebieden zijn daarmee echter nog niet goed beschermd. Illegale goudzoekers, maar ook goudzoekers uit de marron-dorpen (bij gebrek aan ander werk), zijn overal waar goud vermoed wordt, ook in de reservaten. Gaten in het oerwoud en zelfs zwaar met kwik vergiftigde rivieren en kreken zijn het gevolg. We hebben ze met eigen ogen gezien. Zelfs in en nabij Trésor dreigt nog steeds een concessie voor een grote goudindustrie. En in Suriname mag - natuurlijk weer een Canadees - bedrijf tegen een habbekrats systematisch goud delven, waarbij ook kwik als oplosmiddel wordt gebruikt. Daar dreigen ook de toppen en andere delen van het Bakhuisgebergte alsnog ten prooi te vallen aan de bauxietwinning, met alle gevolgen van dien voor de nu nog kristalheldere rivieren in het reservaat. Een sterke overheid en toerisme als inkomstenbron in het binnenland zouden het tij kunnen keren. Natuurinstanties en natuurbeschermingsorganisaties als Trésor en het Surinaamse Stinasu proberen dit soort ontwikkelingen samen met internationale organisaties af te wenden.

Utrecht, 31 maart 2007




Contact | Sitemap | Auteurs | Webmaster | ©2006 Stichting Trésor