Zoeken  Home  Contact
Stichting Trésor Utrecht

Eenvoudige geologie, geomorfologie en bodemkunde van de Guyana's

Leendert Pons


Algemeen
Tijdens de Donateursreis Trésor 2006 in samenwerking met Jungle Tours Ara (5 - 27 Februari 2006) in Frans Guyana en Suriname, was er bij een aantal deelnemers behoefte aan een eenvoudige uitleg over de geologie van het gebied, het ontstaan van de verschillende landschappen en de soort processen die daarbij een rol gespeeld hebben. Met behulp van mijn (verouderde!) bodemkundige kennis en wat literatuur heb ik getracht daaraan te voldoen en geef ik in het volgend een kort overzicht dat nuttig kan zijn voor toekomstige excursiegangers. Daar dit overzichtje bestemd is voor leken, heb ik zoveel mogelijk algemene en voor iedereen gebruikelijke termen gebruikt, waardoor de wetenschappelijke waarde heeft geleden.


Schets van een geomorfologische doorsnede van het binnenland van Suriname


Het gebied
De drie Guyana's (Frans Guyana, Suriname en (Brits) Guyana) liggen op het Pre-cambrische Guyanaschild (shield), een apart, zeer oud (1,8 tot 1,9 miljard jaar) en stabiel gedeelte van de aardkorst. De ondergrond wordt gevormd door de stollingsgesteenten graniet, dioriet, gneiss, enz., die in de stroomversnellingen (soela's) als gladde, schoongewassen, bultvormige rotsen aan de oppervlakte komen. In Frans Guyana reikt het tot aan de kust. Bij Kourou op de afvaartpier naar de Saluuteilanden was dit als fraai, vers gesteente (met grote mica's) te zien. Spectaculair zijn ook de schoongewassen gladde gneissoppervlakken aan de buitenkant van Cayenne.
Op de verwerende oppervlakte van de graniet, enz. werden gedurende jongere, vooral Tertiaire perioden (na het Krijt, 65 miljoen jaar geleden), dikke lagen sedimenten afgezet, die samengesteld zijn uit verweringsproducten uit de wijde omgeving. Deze sedimenten van klei, zand en gruis zijn op hun beurt ook verhard en verkit tot gelaagde gesteenten als zandsteen, schalies (leisteen), enz., liggend op de graniet-ondergrond. Ze zijn op hun beurt verweerd en in sommige soela's te zien als brokkelige en gelaagde gesteenten.

Aardkorstbewegingen en klimaten
Op zeker moment is de zuidrand van het Guyanaschild opgetild (gaat waarschijnlijk nog steeds door), waarbij op de zuidgrens met Brazilië een waterscheiding gevormd werd tussen het Amazonebekken en de stroomgebieden van de Guyaanse rivieren. Na miljoenen jaren erosie ligt die nu op 1000 tot 2000 m hoogte. In opeenvolgende klimaten in het Tertiair, volgden natte, tropische regenwouden met weinig of geen erosie elkaar af met droge savannes met periodiek hevige regens, zodat enorme erosie optrad. Onder het tropische regenwoud vond bodemvorming plaats met zeer diepe verrotting van het gesteente (zachte, rotten rock, regoliet, zo zacht dat je er een mes in kan steken). Interessant is ook, dat in de gronden tot een diepte van meer dan 2 m de gelaagde rotten rock (ontstaan uit gelaagd sedimentgesteente) volledig biogeen gemengd is, het resultaat van een enorme biologische activiteit in de bodem (waarover vrijwel niets bekend is).
De humuszuren die gevormd worden bij de afbraak van de organische stof van het woud, dringen zeer diep in het vaste gesteente door en tasten het sterk aan.. De rotten rock werd met de hevige regens in een volgende droge periode (zonder bos) weer weggeërodeerd, waarna weer regenwouden met vorming van rotten rock optrad, enz. Doordat de hoogteverschillen steeds toenamen kwam telkens weer nieuwe erosie op gang. Bovenstrooms werden diepe rivierdalen uitgeslepen en benedenstrooms nieuwe sedimenten afgezet, zoals de witte kwartszanden.

Bodemvorming
Tijdens bodemvorming in natte klimaten worden vele elementen, zoals basen en silicium, uit het gesteente uitgespoeld. Door allerlei chemische processen (hydra-tatie, hydroliese) hopen zich In (zeer) warme klimaten het weinig oplosbare geoxi-deerde ijzer op, zodat diepe, rode lateritische gronden ontstaan. Deze kunnen bij stagnerend grondwater harde laterietkappen (Fe2O3, hematiet, is rood doordat het beter gekristalliseerd is door warmte en droogte) geven, die onderliggende zachte rotten rock en gronden beschermen voor verdere erosie (ontstaan van tafelbergen: Kaw heuvels, Brownsberg, enz. of van laterietgrotten (Kaw heuvels). In weer andere klimaten (Oligoceen-Plioceen, ca. 15 000 000 jaar geleden, extreem warm?) werd ook het ijzer afgevoerd en bleven alleen Aluminiumsilicaten (bauxiet) over (Moengo in oost Suriname). Tijdens de bodemvorming wordt bij de afbraak van vast gesteente tot rotten rock ook kaolinitische klei (porceleinaarde, grijs) gevormd (uit o.a. mica). In de grotten van de Kaw heuvels lag de laterietkap op een dikke laag kaolinitische klei. Er is ook een soort klimaat geweest waarbij uit de graniet het kwartszand vrijkwam en benedenstrooms werd afgezet als een uitgestrekt schild van wit zand (Zanderij formatie).
Ter plaatse van een rivier dringen geen humuszuren in de onderliggende rotsen door en rot de rots niet, maar blijft vast. Die vinden we nu als de kale rotsen van de soela's. Andere niet verrotte rotsbulten (kopjes), zoals de Voltzberg in Suriname, zijn gevormd doordat, om welke reden dan ook (bv. door té ondiepe, droogtegevoelige gronden), zich daar geen volwaardig regenwoud (kon) ontwikkelen, maar slechts bossavanne of savannebos. Zo ontstond een zeer afwisselend landschap met goede, diep doorwortelbare laterietgronden, harde laterietplateaux, met ondiepe gron-den, smalle en brede dalen met kaolinietkleigronden en vlakke savannes met on-vruchtbaar wit zand, alles begroeid met hun specifieke vegetaties. In Frans Guyana liggen drie vulkaantjes voor de kust, gevormd uit bazaltachtige gesteenten, waaruit de Saluuteilanden ontstonden.


Schets van een doorsnede door de kustvlakte van de Guyana's


Kustvlakte
De Amazone spuwt voortdurend een flinke stroom fijn sediment uit in de oceaan, die vervolgens door de zuid-equatoriale golfstroom naar het westen langs de noordkust van de Guyana's wordt gevoerd. Dit gebeurt in de vorm van modderbanken, die met een regelmaat van ca. 30 jaar langs de kusten schuiven (zie schets). De afgezette modderbank raakt, als hij hoog genoeg is, begroeid met parwa (Avicennia) en mangro (Rhizophora). Nadat de modderbank weer voorbij is (ca. 30 jaar) dringt de oceaan weer tot de kust door en breekt de modderbank met zijn begroeiing weer grotendeels af en legt op de erosierand een zandwal neer. Dit zijn de ritsen (strandwallen), met daarachter de niet geërodeerde delen van de modderbanken die veranderen in kleiplaten met een moerassige vegetatie (zwampen). Ritsen en zwampen tezamen vormen de jonge kustvlakte. Dit proces heeft twee maal plaats gevonden, de eerste keer tijdens de 2 - 4 m hogere zeestanden van de periode vóór de laatste ijstijd (het Eemien, ca. 40 000 jaar geleden) en nu bij de huidige zeestand. Hierbij zij de oude en de jonge kustvlakte gevormd

Bodemgebruik
Er bestaat een groot verschil in bodemvruchtbaarheid tussen de gronden van de kustvlakte en het binnenland. De verweringsgronden zijn chemisch zeer arm en hun voedingsstoffen zijn opgehoopt in de vegetatie en in de humeuze bovenzijde van de bodem. Het sediment van de Amazone is vruchtbaar (komt voornamelijk van vers erosiemateriaal uit de Andes) en de verwering duurde niet lang genoeg om de voedingsstoffen uit te spoelen. Dit is de belangrijkste reden voor het verschil in bodemgebruik tussen de gronden van de kustvlakte en die van het binnenland.
De bosnegers en indianen leggen op goed ontwaterde oeverwallen van de rivieren kostgrondjes (shifting cultivation) aan voor de verbouw van hun voedsel (Bezoek kostgrondjes boven Moitapi tijdens de excursie). De mannen kappen en branden het bos in de droge periode en de vrouwen zaaien en planten allerlei gewassen. Na ongeveer 2 jaar is de bodem uitgeput en slaat het oerwoud weer op om na meer dan 10 jaar weer opnieuw als kostgrondje in gebruikt te worden genomen. Door de bevolkingstoename van de bosnegers en door het beperkter areaal rond hun vaste dorpen is dit al 50 jaar ontoereikend voor hun voedslvoorziening. De indianen zijn minder vast aan bepaalde dorpen gebonden en zijn vrijer in hun keuze van de beste gronden voor shifting cultivation.
De kustvlakte is veel dichter bewoond en hier liggen op de ritsen de wegen en dorpen en worden vruchten en groenten geteeld. In de zwampen lagen vroeger de plantages met teelten van suikerriet, koffie, cacao, enz. en tegenwoordig polders met citrus, bananen, cocos, enz. en in West-Suriname rijst (rijstpolders). Achter de jonge kustvlakte ligt op een enkele meters hoger niveau de oude kustvlakte die bestaat uit dezelfde elementen, ritsen en kleiplaten. Op de gronden van deze oude kustvlakte heeft wel uitspoeling plaats gehad maar lang niet zo sterk als in het binnenland. Zij is minder dicht bewoond en er wordt een extensieve land-bouw uitgeoefend, zoals het houden van vlees- en melkvee op uitgestrekte weiden. De Witzand-gronden zijn nog extensiever in gebruik voor vetweiderij.

Enkele literatuurgegevens:
De Boer, M. W. H. Landforms and soils in eastern Surinam (South America). Proefschrift Wageningen 1972. Pudoc Wageningen.
Brinkman, R. & Pons, L. J. 1968. A pedo-geomorphological classificartion and map of the Holocene sediments in the coastal plain of the three Guyanas. Soil survey Papers 4, Neth. Soil Surv. Inst. Wageningen.
Sombroek, W. G. 1960. Amazone Soils. Proefschrift Wageningen 1966.


Contact | Sitemap | Auteurs | Webmaster | ©2006 Stichting Trésor